Informatie voor medische professionals

Asklepios is in de Griekse mythologie
de god van geneeskunde en genezing.

In de dagelijkse praktijk is borstkanker bij mannen zeldzaam. De behandeling vindt plaats in verschillende ziekenhuizen verspreid over heel Nederland. Voor de behandeling van mannen met borstkanker wordt gebruik gemaakt van de richtlijn mammacarcinoom, waarbij voor de behandeling veel is afgeleid van de behandeling van vrouwen met borstkanker. (NABON 2012): https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Mannen met borstkanker verschillen in een aantal opzichten van vrouwen met borstkanker, maar er zijn ook overeenkomsten in bijvoorbeeld de behandeling die gegeven wordt. In dit overzicht zijn de belangrijke aandachtspunten voor de ziekte borstkanker en behandeling voor mannen op een rij gezet.

Hier kunt u meer informatie vinden over erfelijkheid, psychosociale gevolgen en richtlijnen.

Cijfers invasief mammacarcinoom versus DCIS

Een vergelijking van cijfers van de Nederlandse Kankerregistratie van mannen en vrouwen met invasief mamma carcinoma of carcinoma in situ met een diagnose in de afgelopen 5 jaar (2011-2015) laten op een aantal punten verschillen zien. Ieder jaar zijn er ongeveer 100 nieuwe mannen met invasief mammacarcinoom, wat de ziekte bij mannen zeldzaam maakt, tegenover ruim 15.000 vrouwen. Percentueel maken mannen slechts voor 0,6% deel uit van de totale populatie van borstkankerpatiënten. Carcinoma in situ komt bij mannen minder vaak voor dan bij vrouwen. Mannen hebben in ongeveer 5-10% van de gevallen een DCIS, tegenover 90-95% van de mannen met een invasief carcinoom. Bij mannen vindt er geen screening plaats in tegenstelling tot vrouwen, waar dat wel de praktijk is. (Kankerregistratie)

Toename incidentie en prevalentie

In de afgelopen decennia is er een toename van het aantal nieuwe gevallen van borstkanker bij mannen en vrouwen. Door stijging van de incidentie en verbetering van de overlevingskansen leidt dit ook tot verdere stijging van prevalentie. (NABON 2012):
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Leeftijd bij diagnose

In de groep patiënten gediagnosticeerd met invasief mammacarcinoom of carcinoma in situ in de periode 2011-2015 is de gemiddelde leeftijd van een man met borstkanker 68 jaar. De jongste man was 18 jaar en de oudste had een leeftijd van 100 jaar. Hieruit blijkt dat mannen gemiddeld ouder zijn als ze mammacarcinoom of carcinoma in situ ontwikkelen, maar deze ziekte bij mannen op alle leeftijden kan voorkomen. De gemiddelde leeftijd van een man met borstkanker is 7 jaar ouder dan de gemiddelde leeftijd van een vrouw, die is namelijk 61 jaar met een range van 18 tot 103 jaar. (Kankerregistratie)

Borstontwikkeling

Borstweefsel is tot aan start puberteit gelijk voor zowel jongens als meisjes. In de puberteit ontwikkeld bij vrouwen het borstweefsel zich onder invloed van hormonen, terwijl borstweefsel bij mannen onderontwikkeld blijft. In een volwassen man, bestaat borstweefsel voornamelijk uit vetweefsel, weinig ducti/melkgangen en bijna geen lobuli/melkklieren. (Lattin et al. 2013)

Tumorkenmerken

Histologische subtypering

Bij mannen kunnen alle histologische subtypes voorkomen zoals ook bij vrouwen, maar is er in de meeste gevallen (90-95%) sprake van een invasief ductaal carcinoom, net als bij vrouwen. Lobulair carcinoom komt veel minder vaak voor (1-2%) bij mannen dan bij vrouwen, omdat de lobuli/melkklieren vaak niet of veel minder ontwikkeld zijn in een mannenborst. Mucineuze en papipallaire subtypes zijn ook zeldzamer bij mannen met borstkanker. Wel komt een invasief papillair carcinoma wat vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. (I. Fentiman 2009; Kankerregistratie ; Vermeulen et al. 2017)

Moleculaire subtypering

De hormoonreceptor positieve luminal A en B subtypes komen het meest voor bij mannen met borstkanker. Dit wordt ook bij vrouwen met borstkanker gerapporteerd die al wat ouder zijn en postmenopauzaal. Het voorkomen van non-luminal HER2 positieve, basal-like subtypes en triple-negatieve borstkankers is veel zeldzamer onder mannen met borstkanker , als we vergelijken met vrouwen met borstkanker. (Kornegoor et al. 2012; Vermeulen et al. 2017)

Stadiering

De stadiering volgens TNM is ook identiek voor mannen en vrouwen met borstkanker. Betrokkenheid van lymfeklieren en hematologische verspreiding is bij mannen met borstkanker ook mogelijk net als bij vrouwen met borstkanker. (NABON 2012):
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Overleving

De relatieve overleving (met gebruik Nederlandse gegevens van diagnosejaren 2003-2012, zie toelichting onder tabel over relatieve overleving die bij benadering overeenkomt met de kankerspecifieke overleving) van mannen met borstkanker is verbeterd afgelopen jaren, maar blijft wel wat achter bij de relatieve overleving van vrouwen met borstkanker (zie figuur 1). De 5 jaars relatieve overleving voor mannen is 81%, terwijl die voor vrouwen 86% is. Na 10 jaar daalt de relatieve overleving bij mannen naar 70%, terwijl die bij vrouwen nog steeds beter is, namelijk 77%. (Kankerregistratie ; Patten et al. 2013)

In een populatie-gebaseerde studie uit het buitenland werd gevonden dat hoewel de overall survival van mannen met borstkanker slechter is, na correctie voor levensverwachting, leeftijd, jaar van diagnose en behandeling, hebben mannen juist overlevingsvoordeel ten opzichte van vrouwen. (Miao et al. 2011)

Figuur 1 relatieve overleving borstkankerpatiënten
Toelichting: Overleving betreft het percentage patiënten dat na een bepaald aantal jaren na diagnose nog in leven is. De gepresenteerde overleving is de relatieve overleving wat een benadering is voor de kankerspecifieke overleving. Dit houdt in dat de waargenomen overleving is gecorrigeerd voor de verwachte sterfte die is gebaseerd op de Nederlandse populatie vergelijkbaar op basis van geslacht, leeftijd en kalenderjaar. Omdat de overleving sterk kan verschillen per leeftijdsgroep is ook gestandaardiseerd naar leeftijdsgroep. Alle patiënten zijn gevolgd tot aan de datum van overlijden of tot 1 februari 2016 of, in geval van emigratie, tot aan de emigratiedatum.(Kankerregistratie)

Prognostische factoren

Vergeleken met vrouwen presenteren mannen zich vaker op oudere leeftijd met mogelijk meer comorbiditeit, maar hebben mannen ook vaker een gevorderd stadium van borstkanker (stadium 3 of 4) met grotere tumorafmeting, uitzaaiingen van lymfeklieren naar oksel of elders in het lichaam. (Giordano et al. 2004; Kankerregistratie)

Een populatie-gebaseerde studie naar prognostische factoren in mannen met mammacarcinoom werd uitgevoerd door Dr. José Pablo Leone (University of Iowa, Iowa City) en collega’s. In de studie zaten totaal 2992 patiënten met een diagnose tussen 2003 en 2013. ER-positiviteit is geassocieerd met betere prognose, vooral tijdens de eerste vijf jaar na de diagnose. Hogere leeftijd bij diagnose, tumorgraad III/IV en –stadium IV, geen chirurgie, geen radiotherapie, ER negatieve-status en geen echtgenoot hebben een negatieve impact op overall survival bij mannen met borstkanker. (Leone et al. 2016)

Dr. Carolien van Deurzen (Erasmus MC) en collega’s onderzocht pathologische gegevens van 1483 mannen met borstkanker die waren verzameld in het International Male Breast Cancer Program van de EORTC. Mitotische activiteitsindex (MAI), aanwezigheid van fibrotische focus en lage tumor infiltrerende lymfocyten (TIL)-dichtheid zijn invers gecorreleerd met overall survival. De onderzoekers concluderen dat in deze mannen met borstkanker-serie, in tegenstelling tot wat is gezien bij vrouwen met borstkanker, graad niet significant gecorreleerd was met klinische uitkomstmaten. (Vermeulen et al. 2017)

Risicofactoren

De risicofactoren van mannen met borstkanker zijn minder goed onderzocht en de lage incidentie maakt het veelal lastig om definitieve conclusies te trekken. Op een aantal punten komen de risicofactoren bij mannen met borstkanker overeen met de risicofactoren van borstkanker bij vrouwen, maar er zijn ook verschillen.

Overeenkomsten in risicofactoren tussen mannen en vrouwen

Overeenkomende risicofactoren voor zowel mannen als vrouwen op het krijgen van borstkanker zijn: oudere leeftijd, overgewicht, familiegeschiedenis van borstkanker en/of ovariumkanker, genetische mutaties met een verhoogd risico op borstkanker (BRCA1/2), verhoogde oestrogeenwaarden en bestraling op de thorax. (Brinton et al. 2015; I. S. Fentiman 2016; R. M. Ferzoco, Ruddy, K. J. 2016)

Verschillen in risicofactoren tussen mannen en vrouwen

Verschillen in risicofactoren tussen mannen en vrouwen op het krijgen van borstkanker zijn ras, risico’s van genetische mutaties en androgenen.

Ras

Op alle leeftijden is de incidentie van borstkanker bij mannen met een donkere huidskleur hoger, terwijl alleen donkere vrouwen op jonge leeftijd een hogere incidentie hebben en anders juist blanke vrouwen. Donkere mannen hebben een slechtere prognose, zoals gevorderd stadium, grotere tumorgrootte, meer positieve lymfeklieren en hogere graad. (Korde et al. 2010)

Genetische mutaties

Bij ongeveer 5-10% van alle mannen en vrouwen met borstkanker gaat het om een erfelijke vorm. Meest bekend zijn de BRCA1 en BRCA2 mutaties. (Korde et al. 2010)
De erfelijke aanleg voor borstkanker kan dus door zowel mannen als vrouwen worden doorgegeven. Bij vrouwelijke BRCA1/2 mutatiedragers komt borstkanker echter vaker voor dan bij mannelijke dragers. Bij vrouwen wordt het risico om borstkanker te krijgen geschat op 60-80%, bij mannen met een BRCA2 mutatie wordt dit geschat op 7%, en bij een BRCA1 mutatie ligt dat onder de 2%. (Korde et al. 2010)

Meer recent zijn andere gen-mutaties geïdentificeerd die geassocieerd zijn met een (matig tot sterk) verhoogd risico op borstkanker bij vrouwen: CHEK2, PALB2, ATM, NF1. (Easton et al. 2015) Ook zijn er mutaties gevonden die zeer zeldzaam zijn, maar mogelijk wel een sterk verhoogd risico op borstkanker geven bij vrouwen: PTEN, TP53, CDH1, STK11. (Easton et al. 2015) Op dit moment is het niet duidelijk of mannen met deze gen-mutaties een verhoogd risico hebben op borstkanker, en hoe hoog dat risico is.

Hier vindt u meer informatie over erfelijkheid.

Verhoogde androgeenwaarden

Hogere waarden van androgenen is alleen een risicofactor voor vrouwen om borstkanker te krijgen en niet voor mannen. (Brinton et al. 2015)

Verhoogde oestrogeenwaarden

Voor mannen geldt namelijk dat aandoeningen die veranderingen geven met verhoogde oestrogeenwaarden, zoals syndroom van Klinefelter, gynaecomastie, leverziekten en aandoeningen aan testis, mogelijk een verhoogd risico geeft op borstkanker. (Brinton et al. 2014)

Leefstijlfactoren en omgevingsfactoren

Leefstijlfactoren als roken en drinken van alcohol evenals verschillende omgevingsfactoren als ioniserende straling, elektromagnetische velden, hitte en chemicaliën spelen mogelijk een rol in de etiologie van borstkanker bij mannen, maar dit is nog onvoldoende aangetoond. (Ruddy and Winer 2013)

Beschermende factoren

Een beschermende factor voor mannen en vrouwen met borstkanker is het handhaven van een normaal lichaamsgewicht. Beweging geeft een lager risico op borstkanker bij postmenopauzale vrouwen, maar er is onvoldoende bewijs gevonden dat alleen lichamelijke activiteit ook bescherming biedt tegen het krijgen van borstkanker voor mannen. (Arem et al. 2015; Brinton et al. 2014)

Symptomen

Een niet pijnlijke knobbel in de borst, die mogelijk bij mannen pas later ontdekt wordt, is het meest voorkomende symptoom bij zowel mannen als vrouwen met borstkanker. Bij mannen is de locatie vaak achter of nabij het tepel/aureola complex en is de tepel vaker betrokken dan bij vrouwen in het beginstadium van de ziekte. Andere symptomen bij mannen kunnen zijn: tepeluitvloed, tepelintrekking, niet genezend wondje, roodheid en/of peau d’orange. Zelden presenteren patiënten zich met axillaire lymfadenopathie of ziekte van Paget. (Javidiparsijani et al. 2017; Silva da 2016)

Diagnostiek

De diagnostiek voor mammacarcinoom bij een man is hetzelfde als bij een vrouw. Eerst klinisch borstonderzoek waarbij de tumor vaak palpabel is, gevolgd door een mammografie en bij onduidelijke bevindingen aangevuld met een echografie met biopsie. Op een mammografie komen microcalcificaties minder vaak voor bij mannen dan bij vrouwen. (Korde et al. 2010; NABON 2012): https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Behandeling

In de toekomst met de uitkomsten van de landelijke retrospectieve en prospectieve studies van Boog onderzoeksgroep/EORTC hopen we nog meer inzicht te krijgen in de optimale behandeling voor mannen met borstkanker.

De eerste resultaten van de retrospectieve studie van 1483 mannen laten zien dat de meerderheid een mastectomie kreeg (96%), maar ongeveer 50% van de mannen met positieve lymfeklieren geen bestraling kreeg. Een derde van de mannen kreeg chemotherapie en met de tijd werd meer chemotherapie gegeven. 90 % van de mannen had een hormoonreceptor positieve ziekte en 77% kreeg uiteindelijke aanvullende anti-hormonale therapie. In de meeste gevallen bestond deze anti-hormonale therapie alleen uit tamoxifen en soms in combinatie met een aromataseremmer of alleen een aromataseremmer. (Cardoso 2014)

Er is nog weinig bekend over korte- en lange termijn bijwerkingen van chemotherapie en lokale behandelingen bij mannen.(Ruddy and Winer 2013) Hier leest u meer over psychologische gevolgen.

Meer informatie over deze retrospectieve en prospectieve studies van Borstkanker Onderzoek Groep (BOOG) kunt u vinden bij lopende onderzoeken.

De behandeling van borstkanker bij mannen is op dit moment grotendeels gebaseerd op retrospectieve observationele studies en afgeleid van kennis van borstkanker bij postmenopauzale vrouwen. (Biganzoli et al. 2012; Korde et al. 2010; NABON 2012): https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Chirurgische behandeling

Mastectomie of borstsparende operatie

Een mastectomie wordt vaker bij mannen uitgevoerd dan een borstsparende operatie. Bij deze mastectomie wordt afhankelijk van de locatie van de tumor ook de tepel vaak meegenomen. Een borstsparende operatie is bij een man in vergelijking bij een vrouw, veelal niet mogelijk omdat de tumor zich in de kleinere borst al heeft verspreid naar het omringende weefsel, waardoor verwijderen van al het borstweefsel de beste optie is. (Ruddy and Winer 2013; Silva da 2016)

Bijwerkingen operatie

Na operatie kunnen er bijwerkingen optreden als nabloeding, infectie, keloid vorming, (zenuw)pijn, doof gevoel en lokaal lymfoedeem. (Silva da 2016)

Preventieve mastectomie

Sommige mannelijke BRCA mutatie dragers met een geschiedenis van borstkanker kiezen voor preventieve bilaterale mastectomie, om het risico op borstkanker te reduceren, maar de incidentie van nieuwe 2e primaire borstkanker bij mannen is onvoldoende onderzocht en blijft vooralsnog onduidelijk. (R. M. Ferzoco and Ruddy 2015)

Foto’s voor en na mastectomie

Hier vindt u verschillende foto’s van mannen met borstkanker in een fotoverzameling.

Schildwachtklierprocedure en okselkliertoilet

Voor schildwachtklierprocedure en okselkliertoilet is de indicatie en techniek exact hetzelfde als voor vrouwen. In plaats van een okselkliertoilet kan de oksel ook bestraald worden. (NABON 2012): https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Bijwerkingen schildwachtklierprocedure

De schildwachtklierprocedure heeft een kleine kans op complicaties. Bijvoorbeeld een verminderd gevoel en lymfoedeem. Bij bestraling en uitgebreide operatie is de kans op lymfoedeem groter.

Bijwerkingen okselkliertoilet

Een okselkliertoilet is ingrijpender dan een schildwachtklierprocedure en geeft ook meer kans op bijwerkingen, zoals verminderd gevoel of zenuwpijn, minder beweeglijke schouder en lymfoedeem.

Keuze aanvullende behandeling

Uit onderzoek is gebleken dat prognostische modellen (MPI Morphometric Prognostic Index), NPI (Nottingham Prognostic Index), Adjuvant! Online: https://www.adjuvantonline.com/ en Predict: http://www.predict.nhs.uk/) ontwikkeld en gevalideerd voor vrouwen, ook goed toegepast kunnen worden bij mannen met borstkanker. (van der Pol et al. 2016) Ook Oncoguide, gebaseerd op de landelijke richtlijn mammacarcinoom ontwikkeld door IKNL kan gebruikt worden om uit te zoeken voor welke aanvullende behandeling een patiënt in aanmerking komt: https://www.oncoguide.nl.

Radiotherapie

Indicaties bestraling oksel en thoraxwand

Voor de bestraling worden bij mannen dezelfde indicaties aangehouden als bij vrouwen. Voor de situatie na amputatie is de indicatie voor bestraling afhankelijk van de okselklierstatus. Bij positieve lymfeklieren (na schildwachtklierprocedure) wordt de oksel bestraald en de thoraxwand. In principe is de indicatie voor thoraxwand bestraling bij N2 of N3 ziekte, pT3N+, pT3N0 bij een lobulair carcinoom. Bij pT1N1, of pT2N1 alleen indien er ook nog aanvullende risicofactoren aanwezig zijn zoals: graad III, lymfangio-invasie,  jonge leeftijd (zeer zelden < 40 jaar bij de mannen) en indien de resectie niet radicaal is gebleken microscopisch of macroscopisch. Een klein aantal mannen die borstsparend behandeld wordt, met name betreft behoud van tepelcomplex, worden ook bestraald op borst/thoraxwand. Daarnaast kan er nog een indicatie voor bestraling van de oksel zijn. (NABON 2012): https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Bijwerkingen radiotherapie

Bijwerkingen van de radiotherapie kunnen zijn: vermoeidheid, huidreacties, verlies van borst-/ okselhaar, littekenvorming, lymfoedeem na okseloperatie, pijn, longklachten en hartklachten.

Chemotherapie

Er zijn geen gerandomiseerde trials naar het gebruik van chemotherapie bij mannen met borstkanker gedaan. Voor chemotherapie gelden bij mannen dezelfde indicaties als bij vrouwen. Bij het besluit om chemotherapie te starten zeker op oudere leeftijd moet rekening gehouden worden met aanwezigheid van comorbiditeit. Chemotherapie kan ook neo-adjuvant gegeven worden. (Biganzoli et al. 2012; NABON 2012):
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Bijwerkingen chemotherapie

Bijwerkingen van de chemotherapie kunnen afhankelijk van het soort middel zijn, de meest voorkomende bijwerkingen zijn: haaruitval, neuropathie, misselijkheid, vermoeidheid, smaakverandering, invloed op beenmerg (bloedarmoede, verlaagde afweer), verminderde vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid en invloed op seksualiteit.

Immunotherapie

Er is geen onderzoek naar trastuzumab bij mannen met een HER2 positieve tumor, dit komt ook erg weinig voor, maar het gebruik is gebaseerd op het voordeel dat vrouwen met mammacarcinoom hiervan hebben. Trastuzumab en eventueel ook pertuzumab moet daarom ook aangeboden worden aan mannen met HER2-positieve tumoren, veelal in combinatie met chemotherapie. (Biganzoli et al. 2012; NABON 2012):
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Bijwerkingen immunotherapie

Deze middelen hebben bijna geen bijwerkingen. De meest voorkomende bijwerking is verminderde hartpompfunctie, in ongeveer 15% van de gevallen, die bij stoppen van het middel bijna altijd reversibel is. Om deze reden wordt de hartpompfunctie gecontroleerd.

Anti-hormonale therapie

Tamoxifen is een vorm van adjuvante therapie van eerste keuze bij mannen, net zoals bij vrouwen, voor oestrogeen positieve tumoren voor een periode van 5 jaar. Het gebruik van aromataseremmers wordt afgeraden als adjuvante therapie, omdat de werking hiervan niet voldoende is aangetoond en waarschijnlijk oestrogenen (20%) geproduceerd door testikels niet worden geremd en bovendien kan dit middel meer bijwerkingen geven. (NABON 2012)
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom)

Bijwerkingen anti-hormonale therapie

Bijwerkingen van anti-hormonale therapie tamoxifen zijn sekse-specifiek: verminderd libido, erectieproblemen, opvliegers (minder vaak dan vrouwen), depressie, gewichtstoename, afname lichaamsbeharing, afname spierkracht, spierkrampen, gewrichtsklachten, hoofdpijn, vermoeidheid, cognitieve stoornissen, trombo-embolie, botpijn, visusklachten en huiduitslag. (Silva da 2016)

Mogelijkheden plastische chirurgie

Reconstructieve chirurgie wordt bij mannen minder vaak toegepast dan bij vrouwen. Wel zijn er verschillende mogelijkheden. (Patten et al. 2013)

Tepelreconstructie

Bij mannen wordt dezelfde techniek voor tepelreconstructie gebruikt als bij vrouwen. Onder plaatselijke verdoving wordt het tepelpuntje gemaakt, nadat samen met de patiënt de positie is bepaald.

Techniek en materiaal

Bij de Caterpillar techniek wordt een reepje huid losgemaakt op de plek waar het tepelpuntje moet komen, opgerold en vastgehecht. Deze techniek wordt ook bij vrouwen gebruikt. 10 weken na de ingreep kan de tepeltatoeage plaatsvinden.

Tijdstip

3 maanden na operatie of wanneer gewenst resultaat bereikt is.

Risico’s/complicaties

Infectie of nabloeding.

Dermatografie tepel(hof) en littekens (medische tatoeage)

Tepel, tepelhof en littekens kunnen net als bij vrouwen, bij mannen ook behandeld worden met dermatografie ofwel een medische tatoeage.

Techniek en materiaal

Met hele dunne naalden wordt fijnere structuur kleurstof ingebracht. Deze fijnere kleurstof zorgt ook voor littekens in huidskleur en deze dunne naalden geven minder trauma. In 10 % van de gevallen is lokale anesthesie nodig bij dermatografie van de tepels. Er kan vervaging ontstaan in de jaren na de behandeling, waarbij nieuwe behandeling mogelijk is.

Duur behandeling

Behandeling per tepel: 45-60 minuten. Behandeling van littekens, afhankelijk van de grootte: 30-45 minuten. (meerdere sessies afhankelijk van: dikte litteken, stugheid en huidstructuur etc.)

Risico’s/complicaties

Risico soms huidinfectie en tegenvallend resultaat.

Lipofilling

Lipofilling is een mogelijkheid indien er een deuk in de borst bestaat na de mastectomie.

Lokaal Recidief

Borstkanker kan recidiveren, nadat het behandeld is. De kanker kan terugkomen in de borst, borstwand of in andere delen van het lichaam. Behandeling van een lokaal recidief bestaat meestal uit chirurgie in combinatie met radio- en/of chemotherapie. Respons op behandeling is vergelijkbaar met vrouwen met borstkanker. (NCI Updated 05/25/2007)

Behandeling gemetastaseerde ziekte

Gemetastaseerde ziekte bij mannen is voornamelijk geëvalueerd in case reports en kleine studies en hierbij is het beleid ook afgeleid van een vrouw. Betreft de anti-hormonale behandeling worden aromataseremmers voorgeschreven en er wordt altijd aangeraden dit in combinatie met een LHRH agonist aan te bieden of orchidectomie. (NABON 2012):
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Tweede tumoren

Mannen met borstkanker kunnen net als vrouwen ook een tweede tumor ontwikkelen na de behandeling voor borstkanker. Mannen met borstkanker kunnen elke vorm van tweede tumor krijgen, maar hebben een verhoogd risico op: een tweede primair mammacarcinoom, darmkanker, pancreascarcinoom, prostaat kanker, huidkanker en myeloide leukemie. Soms speelt bij een tweede tumor een gedeeld genetisch risico een rol. Bijvoorbeeld mannen met een BRCA2 mutatie hebben zowel een verhoogd risico op prostaat- en pancreascarcinoom als op mammacarcinoom. (Cutuli et al. 2010; Hemminki et al. 2005; Korde et al. 2010)

Nazorg en nacontrole

Volgens richtlijn voor mannen gedurende 5 jaar na diagnose jaarlijks net als bij vrouwen met een klinisch onderzoek en (contralaterale) mammografie voor detectie van een locoregionaal recidief en/of 2e primaire tumor. De waarde van een jaarlijkse (contralaterale) mammografie voor mannen is niet volledig duidelijk en kan in goed overleg met patiënt ook worden weggelaten. (NABON 2012):
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker2017/borstkanker_bij_mannen.html
http://www.oncoline.nl/mammacarcinoom

Aandachtspunten mannen met borstkanker met een migratieachtergrond

Achtergrond mannen met een migratieachtergrond

Borstkanker kan ook voorkomen bij mannen met een migratieachtergrond. Mogelijk presenteert de ziekte zich in een later stadium bij deze patiënten. Hierdoor kan de prognose minder gunstig zijn. Bij vrouwen met een migratieachtergrond is bekend dat ze niet altijd doorverwezen worden voor erfelijkheidsonderzoek (Baars et al. 2016) Het is niet bekend of dat ook voor mannen geldt. Voor mensen met een migratieachtergrond is de toegang tot de zorg vaak minder goed doordat in de zorg niet altijd adequaat wordt ingespeeld op barrières in communicatie (taalbarrière) en op culturele verschillen tussen patiënt en zorgverleners. Bovendien hebben migranten vaker lagere gezondheidsvaardigheden, de vaardigheden die nodig zijn om informatie over gezondheid te verkrijgen, te begrijpen en te gebruiken bij het nemen van ziekte- en behandeling gerelateerde beslissingen. Ook is de ziektebeleving van migranten anders. Kanker zou mogelijk kunnen worden beschouwd als een besmettelijke ziekte. Ook wordt soms gedacht dat het een vloek is. Het hebben van kanker wordt ook al snel geassocieerd met de dood en er kan een taboe bestaan om erover te praten. (Suurmond 2017)

Wat is belangrijk in de zorgverlening?

Het doel is om de zorg zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij religieuze normen en waarden en de cultuur van de patiënt. Het is belangrijk om zelf bewust te zijn van het eigen referentiekader. De volgende suggesties kunnen helpen bij het gesprek met iemand met een migrantenachtergrond:

1) Ga uit van wat voor deze individuele patiënt belangrijk is, wat zijn waarden en opvattingen zijn;
2) Benader de patiënt en de omgeving met respect;
3) Begin het gesprek uitnodigend, met open vragen, zodat belangrijke thema’s bespreekbaar gemaakt kunnen worden;
4) Ga tijdig het gesprek aan over ziekte en behandeling en bied vervolgens ruimte aan de patiënt om zelf informatie in te winnen wat voor hem belangrijk is;
5) Schakel een professionele tolk in als de patiënt de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst;
6) Schakel een (moslim) geestelijk verzorger in het ziekenhuis in;
7) Attendeer de patiënt en diens familie op de gebedsruimte/ het stiltecentrum in het ziekenhuis;
8) Stel een contactpersoon binnen het ziekenhuis aan en schakel zo nodig psychosociale ondersteuning in;
9) Adviseer thuiszorg instanties die gespecialiseerd zijn in helpen van mensen met een migratieachtergrond;
10) Stem het ziekenhuisbezoek af in overleg met de met de patiënt en de familie;
11) Blijf gedurende het ziekteproces checken wat informatiebehoeften zijn.

Informatie verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten

Handreiking verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten, Petra Duijveman: klik hier

Patiënteninformatie

Hier vindt u online patiënteninformatie voor mannen met borstkanker en hun naasten:

Kanker.nl:
https://www.kanker.nl/bibliotheek/borstkanker-mannen/wat-is/313-borstkanker-mannen

Borstkankervereniging Nederland (BVN)
https://borstkanker.nl/nl/mannen-met-borstkanker

Hier kunt u patiënteninformatie vinden om te downloaden of uit te printen

Wetenschappelijk onderzoek

Hier vindt u meer informatie over deelname aan wetenschappelijk onderzoek.

Hier vindt u een overzicht van afgerond onderzoek en lopend onderzoek.

Hier vindt u informatie over het Dutch Male Breast Cancer Consortium.

Hier vindt u een overzicht van gepubliceerde artikelen terug te vinden op pubmed

Fotoverzameling

Hier vindt u een fotoverzameling met foto’s en een video van mannen met borstkanker.

Erfelijkheid

Hier vindt u meer informatie over erfelijkheid.

Psychosociale gevolgen

Hier vindt u meer informatie over psychosociale gevolgen en detecteren van behoefte psychosociale zorg.

Richtlijnen

Hier vindt u informatie over richtlijnen.

Hulpmiddelen bij ondersteuning keuze behandeling

Prognostische modellen:
Predict: http://www.predict.nhs.uk/
Adjuvant online: https://www.adjuvantonline.com/
Beslisboom: Oncoguide – Beslisboom IKNL: https://www.oncoguide.nl

Meer informatie

Hier vindt u uit te printen patiënteninformatie specifiek voor mannen met borstkanker en een flyer van de website die geprint kan worden.

Hier vindt u links naar ander websites met informatie over mannen met borstkanker.

Referenties

Arem, H., et al. (2015), ‘Physical Activity and Risk of Male Breast Cancer’, Cancer Epidemiol Biomarkers Prev, 24 (12), 1898-901.

Baars, J. E., et al. (2016), ‘Migrant breast cancer patients and their participation in genetic counseling: results from a registry-based study’, Fam Cancer, 15 (2), 163-71.

Biganzoli, L., et al. (2012), ‘Management of elderly patients with breast cancer: updated recommendations of the International Society of Geriatric Oncology (SIOG) and European Society of Breast Cancer Specialists (EUSOMA)’, Lancet Oncol, 13 (4), e148-60.

Brinton, L. A., et al. (2015), ‘Prediagnostic Sex Steroid Hormones in Relation to Male Breast Cancer Risk’, J Clin Oncol, 33 (18), 2041-50.

Brinton, L. A., et al. (2014), ‘Anthropometric and hormonal risk factors for male breast cancer: male breast cancer pooling project results’, J Natl Cancer Inst, 106 (3), djt465.

Cardoso, F., Bartlett, J., Giardano S. et al. (2014), ‘Characterization of male breast cancer: First results of the EORTC10085/TBCRC/BIG/NABCG International Male BC Program’, San Antonio Breast Cancer Symposium, 2014, European Organzation for Research and Treatment of Cancer, San Antonio, TX.

Cutuli, B., et al. (2010), ‘Male breast cancer. Evolution of treatment and prognostic factors. Analysis of 489 cases’, Crit Rev Oncol Hematol, 73 (3), 246-54.

Easton, D. F., et al. (2015), ‘Gene-panel sequencing and the prediction of breast-cancer risk’, N Engl J Med, 372 (23), 2243-57.

Fentiman, I. (2009), ‘Male breast cancer: a review’, Ecancermedicalscience, 3, 140.

Fentiman, I. S. (2016), ‘Male breast cancer is not congruent with the female disease’, Crit Rev Oncol Hematol, 101, 119-24.

Ferzoco, R. M, Ruddy, K. J. (2016), ‘The Epidemiology of Male Breast Cancer’, Curr Oncol Rep, 18 (1), 1.

Ferzoco, R. M. and Ruddy, K. J. (2015), ‘Optimal delivery of male breast cancer follow-up care: improving outcomes’, Breast Cancer (Dove Med Press), 7, 371-9.

Giordano, S. H., et al. (2004), ‘Breast carcinoma in men: a population-based study’, Cancer, 101 (1), 51-7.

Hemminki, K., et al. (2005), ‘Second primary malignancies in patients with male breast cancer’, Br J Cancer, 92 (7), 1288-92.

Javidiparsijani, S., Rosen, L. E., and Gattuso, P. (2017), ‘Male Breast Carcinoma: A Clinical and Pathological Review’, Int J Surg Pathol, 25 (3), 200-05.

Kankerregistratie, NL ‘beheerd door IKNL ©dec 2016’ www.cijfersoverkanker.nl.

Korde, L. A., et al. (2010), ‘Multidisciplinary meeting on male breast cancer: summary and research recommendations’, J Clin Oncol, 28 (12), 2114-22.

Kornegoor, R., et al. (2012), ‘Molecular subtyping of male breast cancer by immunohistochemistry’, Mod Pathol, 25 (3), 398-404.

Lattin, G. E., Jr., et al. (2013), ‘From the radiologic pathology archives: diseases of the male breast: radiologic-pathologic correlation’, Radiographics, 33 (2), 461-89.

Leone, J. P., et al. (2016), ‘Prognostic factors in male breast cancer: a population-based study’, Breast Cancer Res Treat, 156 (3), 539-48.

Miao, H., et al. (2011), ‘Incidence and outcome of male breast cancer: an international population-based study’, J Clin Oncol, 29 (33), 4381-6.

NABON (2012), ‘Landelijke richtlijn mammacarinoom’.

NCI (Updated 05/25/2007), ‘The website of the National Cancer Institute, PDQ Male Breast Cancer Treatment’, https://www.cancer.gov/types/breast/hp/male-breast-treatment-pdq.

Patten, D. K., Sharifi, L. K., and Fazel, M. (2013), ‘New approaches in the management of male breast cancer’, Clin Breast Cancer, 13 (5), 309-14.

Ruddy, K. J. and Winer, E. P. (2013), ‘Male breast cancer: risk factors, biology, diagnosis, treatment, and survivorship’, Ann Oncol, 24 (6), 1434-43.

Silva da, T. L. (2016), ‘Male breast cancer: Medical and psychological management in comparison to female breast cancer. A review.’, Cancer Treat Commun, 7, 23-34.

Suurmond, J., Seeleman, C. (2017), Psychologische patientenzorg in de oncologie. Handboek voor professionals. Hoofdstuk Patienten met een migratieachtergrond.

van der Pol, C. C., et al. (2016), ‘Prognostic models in male breast cancer’, Breast Cancer Res Treat, 160 (2), 339-46.

Vermeulen, M. A., et al. (2017), ‘Pathological characterisation of male breast cancer: Results of the EORTC 10085/TBCRC/BIG/NABCG International Male Breast Cancer Program’, Eur J Cancer.